In het werk van Fred Blei zijn als vaste motieven te herkennen vergankelijkheid, herinnering, schoonheid en verleiding. Deze motieven zijn tegelijk zijn drijfveren om te schilderen.

Het befaamde landgoed Kareol vormt een rode draad in het leven en werk van Fred. Het gigantische complex was rond 1910 geënsceneerd naar de slotscène van Wagners opera Tristan en Isolde. Als kleine jongen zwierf Fred vaak door het toen al verlaten huis en park met zijn trappen en vijvers. De afbraak van dit monument in 1978 dwong hem zich opnieuw tot de schilderkunst te wenden. Alleen zo kon hij vasthouden wat verdween. Jarenlang bezocht hij na de sloop van het huis het landgoed om er de vervallen restanten in hun strijd tegen de natuur te schilderen, die even onbarmhartig als onherroepelijk haar hoofdrol opeist. Het Kareol werd zijn metafoor van de vergankelijkheid en zin en onzin van het streven naar perfectie. Vergankelijkheid roept zo ook scheppende krachten op.

Na verloop van tijd zocht Fred naar een alternatieve manier om perfectie te kunnen verbeelden. In 1995 presenteerde hij in de Amsterdamse Stadsschouwburg De Vier Temperamenten , een vierluik waarvoor de door hem bewonderde actrice Sigrid Koetse model stond en waaraan hij enkele jaren werkte. In de klassieke oudheid werd het karakter van mensen getypeerd aan de hand van de menging van vier lichaamssappen. Blei koppelde die temperamenten aan andere basisbegrippen als de vier elementen, windstreken, tijdperken en de kleurenleer. Door de beste actrice al die facetten te laten uitbeelden in vier vorstinnen, kon hij de totale mens weergeven.

Fred gaat ook op een andere manier de strijd met de perfectie aan. Zo inspireert het uiterlijk van de Franse zangeres Françoise Hardy hem tot een doorlopende reeks schilderijen. Als puber tekende hij haar al in duizenden krabbels en die neiging is nooit meer overgegaan.

In 2008 gaf hij zijn oude thema Kareol een nieuwe wending nadat hij op een avond in Baden Baden totaal onverwachts op een vervallen waterkunstwerk stuitte waarmee Max  Laeuger architectuur en natuur verbond zoals hij dat veertien jaar eerder had gedaan bij het Kareol. Een scharnierpunt van dit paradijs markeerde hij met een gedicht van Conrad Meyer dat het eeuwig stromende water verbeeldde en besloot met: "und jede nimmt und gibt zugleich, und stroemt und ruht." Vergankelijkheid mondt uit in hoop: in paradisum.

Buiten de genoemde thema's wordt Fred gefascineerd door de portretkunst als autonome kunstvorm. Zowel zijn portretten als zijn vrije werk schildert hij in olieverf op linnen. Meestal gebruikt hij de tijdrovende laag-op-laag aanpak. Soms, als het onderwerp dit vereist, gebruikt hij de meer directe alla prima techniek.



Vorige pagina